Brandveiligheid is terug in het hart van het bouwdebat. Volgens TNO is de bouwregelgeving onvoldoende toegesneden op de bouwpraktijk van vandaag en morgen. Dat klonk al snel als een waarschuwing tegen houtbouw, biobased materialen en andere lichte bouwsystemen. Alsof de verduurzaming van de bouw automatisch leidt tot grotere brandrisico’s. Dat is een gevaarlijke versimpeling.
De interessante vraag is niet of hout brandt. Natuurlijk brandt hout. De interessante vraag is of ons stelsel goed genoeg is ingericht om nieuwe bouwmethoden veilig, voorspelbaar en betaalbaar toe te passen.
In de podcast Bureau Stoer werd dat mooi zichtbaar. Saskia Hegeman en lector brandveiligheid Lieuwe de Witte maakten duidelijk dat de zorgen over brandveiligheid terecht zijn, maar dat dit niet betekent dat we moeten stoppen met hout of biobased bouwen. Integendeel. Juist als we deze materialen willen toepassen, moeten we brandveiligheid vanaf het begin integraal meenemen. Niet als sluitpost, niet als hindermacht, maar als essentieel onderdeel van goed ontwerp. Daar zit het verschil tussen een verstandig gesprek en het paniekframe dat rond het rapport snel ontstond.
Het minimum als eindpunt
Het probleem is zeker niet dat goede ontwerpers brandgevaarlijke gebouwen maken. Een serieus bureau ontwerpt niet uitsluitend met het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) onder de arm. Brandveiligheidsadviseurs werken met NEN-normen, EN-normen, NTA’s, Europese classificaties, brandproeven, certificatieschema’s, rekenmethoden en projectspecifieke brandveiligheidsconcepten. Die wereld heeft bepaald niet stilgestaan sinds 1992.
Het Bbl is dan ook geen ontwerphandboek; het is een publiek minimumkader. En daar begint het echte probleem. Te veel ontwikkelaars gebruiken dat minimum ten onrechte als eindpunt: het voldoet aan het Bbl, dus het is goed.
Maar een juridisch minimum is nog geen maatschappelijk optimum. Zeker niet in een bouwpraktijk waarin we hoger, dichter, lichter, sneller en vaker industrieel bouwen. En al helemaal niet in een samenleving waarin ouderen langer thuis wonen en de brandweer niet overal alles kan oplossen.
De spagaat van de brandweer
De brandweer wordt daardoor in een ongemakkelijke rol gedrukt. Formeel wil zij niet de partij zijn die bovenop het Bbl lokale extra eisen stelt; dat zou de bouw alleen maar onvoorspelbaarder maken. Tegelijkertijd ziet de brandweer wel dat minimale ontwerpen soms onvoldoende passen bij de feitelijke risico’s, de zelfredzaamheid van bewoners of het handelingsperspectief bij een incident.
Dan ontstaat precies de situatie die niemand wil. Terwijl de overheid regels wil schrappen om bouwen goedkoper te maken en sommige marktpartijen strak op het minimum bouwen, ziet de brandweer risico’s maar wil zij geen alternatieve regelgever worden. Het onvermijdelijke gevolg hiervan is dat innovatieve bouwconcepten vervolgens per project opnieuw moeten bewijzen dat ze veilig genoeg zijn. Dat is duur, het vertraagt en het smoort innovatie.
Gelijkwaardigheid als de snelweg
Daarom is gelijkwaardigheid geen omweg, maar de snelweg. Als een oplossing goed is getest, gedegen is onderbouwd en in meerdere projecten aantoonbaar werkt, moet die niet telkens opnieuw als uitzondering worden behandeld. We hebben geen gebrek aan kennis; we hebben een gebrek aan erkenning, ordening en voorspelbaarheid.
Daar hoort ook bij dat bestaande normen, beoordelingsmethoden en erkende routes beter worden verbonden met het publieke kader. Niet alles hoeft letterlijk in het Bbl te worden dichtgeregeld, maar het moet wel duidelijk zijn welke routes erkend zijn, welke scenario’s worden geaccepteerd en wanneer een oplossing voldoende is onderbouwd. Een gedeelde database met beproefde oplossingen kan daarbij helpen. Niet als extra instrument voor adviseurs, maar als vliegwiel en kostenbesparing voor de hele sector.
Het alternatief is namelijk dat ieder project opnieuw het wiel moet uitvinden. Of erger nog: opnieuw door het testcircuit moet om te bewijzen wat in de praktijk al lang bekend is.
Een ongemakkelijk spanningsveld
Daarbij mogen we een ongemakkelijke waarheid niet uit de weg gaan: dit complexe, projectgebonden stelsel wordt mede in stand gehouden door een stevig spanningsveld van belangen. Onzekerheid is in deze sector immers ook een verdienmodel. Brandlaboratoria hebben een commercieel belang bij het eindeloos blijven testen van materialen in steeds weer nieuwe opstellingen.
Adviesbureaus schrijven met alle liefde voor ieder individueel project een nieuw, uitgebreid maatwerkadvies. Zelfs academische leerstoelen en onderzoeksinstellingen zijn voor hun voortbestaan en financiering deels afhankelijk van de aanhoudende roep om meer onderzoek. Hoewel de integriteit en het vakmanschap van deze partijen buiten kijf staan, ontbreekt in het huidige systeem de broodnodige prikkel om kennis breed te delen, te standaardiseren en onzekerheid structureel uit de markt te halen.
Wat is ‘veilig genoeg’?
Hier raken we een dieper punt. We weten vaak niet precies welk restrisico we maatschappelijk accepteren. Bij waterveiligheid praten we openlijk over kansen, normen en scenario’s. Bij brandveiligheid zit er nog te veel impliciet verscholen in regels, testen en tradities. Daardoor weten we soms pas na een incident of iets “veilig genoeg” was. Dat is geen stevige basis voor een bouwtransitie.
De modernisering van brandveiligheid moet daarom niet beginnen met angst voor nieuwe materialen, maar met helderheid over de doelen. We moeten scherp hebben met welke brandscenario’s we rekening moeten houden en welke inzet nog redelijkerwijs van de brandweer mag worden verwacht. Daarnaast is het cruciaal om vast te stellen hoeveel schade we maatschappelijk aanvaardbaar vinden, wanneer zelfredzaamheid voldoende is geborgd, en hoe brandveiligheid, duurzaamheid, betaalbaarheid en uitvoeringskwaliteit zich precies tot elkaar verhouden.
Weg uit het bewijsmoeras
Bovenstaande vragen vereisen politieke en maatschappelijke keuzes. Die mogen niet op het bordje van de brandveiligheidsadviseur, de lokale brandweer of de individuele ontwikkelaar blijven liggen.
Brandveiligheid is geen argument tegen toekomstbestendig bouwen, het is een systeemtest. Durven we het minimumdenken te doorbreken zonder te vervallen in willekeurige extra eisen? Durven we nieuwe materialen serieus te nemen zonder ze op voorhand verdacht te maken? En durven we gelijkwaardigheid zo te organiseren dat goede oplossingen sneller, goedkoper en betrouwbaarder kunnen worden toegepast?
Wie goedkoper wil bouwen, moet niet alleen regels schrappen, maar vooral onzekerheid uit het stelsel halen. We moeten voorkomen dat kwaliteit, veiligheid en innovatie telkens opnieuw door hetzelfde bewijsmoeras hoeven. Pas dan slagen we werkelijk voor deze systeemtest.
Lees ook
Over Zichtlijnen
Zichtlijnen is mijn manier om het gesprek over vernieuwing in de bouw een stap verder te brengen. Niet door harder te roepen, maar door scherper te kijken. Ik schrijf over wat er onder de oppervlakte speelt: de aannames, de systemen en de keuzes die bepalen wat we bouwen en waarom. Met als ambitie richting te geven aan een sector die altijd in transitie is, maar ongewild nog te vaak in oude patronen denkt. Welke systemen houden een bouw nog tegen die sneller wil, betaalbaarder kan en toekomstbestendiger moet zijn?
Jan Willem van de Groep
