In systemen die zijn ingericht op bestuurbare vaagheid voelt nuchterheid al snel als radicalisme. Dan krijg je de vriendelijke variant van tegenwerking. De bestuurlijke frons. Het keurige uitstel. De subtiele afzwakking. De klassieker: interessant, maar laten we eerst nog even een verkenning uitvoeren.
Stel je voor dat Pim van Meer ambtenaar was.
Dat idee alleen al is voor sommige mensen waarschijnlijk genoeg om hun koffie in hun toetsenbord te laten lopen. Pim, in dienst van de overheid. Pim, in een ministerie, tussen beleidsnota’s, afstemmingsoverleggen en mensen die dit nemen we mee zeggen terwijl er in werkelijkheid nog helemaal niks beweegt.
Het klinkt bijna als satire.
En toch fascineert het me.
Misschien juist omdat ik steeds vaker mensen tegenkom in en rond de overheid die in wezen precies hetzelfde werk doen als ik. Alleen op moeilijker terrein. Met subtielere tegenwerking. Met een grotere bestuurlijke reflex om vooral niet te hard te bewegen. En met minder applaus, terwijl de noodzaak minstens zo groot is.
Arjan Spruijt is voor mij zo iemand.
En laat ik het meteen vervelend maken voor hem: ik zet hem niet in het zonnetje omdat hij een uitzondering is. Ik zet hem in het zonnetje omdat hij de meest zichtbare is van een groep die het allang begrijpt, maar daar door de eigen omgeving nog lang niet altijd voor gewaardeerd wordt.
Dat is de groep waar deze column over gaat.
De ambtenaren en semi-ambtenaren die snappen dat digitalisering geen gadget is. Geen hobby. Geen extra laag over beleid heen. Maar gewoon een manier om besluiten beter, eerlijker en toetsbaarder te maken. Mensen die begrijpen dat een digitale tweeling, een standaard, een bronregistratie of een transparante informatieketen niet spannend zijn, maar juist rust geven.
En juist dat maakt ze verdacht.
Omdat ze iets zichtbaar maken waar veel systemen liever omheen bewegen:
dat er al jaren op mist wordt gestuurd,
dat doelen te vaag zijn geformuleerd,
dat informatie te laat, te versnipperd of te vrijblijvend op tafel komt,
en dat de grootste vertraging vaak niet in techniek zit, maar in bestuurlijke reflexen.
Dat herken ik pijnlijk goed.
Ik doe mijn werk in een wereld waar de pijn inmiddels vaak direct voelbaar is. Daar lopen projecten vast, verdwijnen vierkante meters, botsen ambities met haalbaarheid en weet iedereen diep van binnen: het verhaal van Pim schuurt misschien, maar níét handelen schuurt harder. In die wereld krijg ik tikken, soms waardering, soms allebei tegelijk. Maar de praktijk heeft wel al besloten dat het probleem echt bestaat.
Bij de overheid en de semipublieke wereld ligt dat vaak anders.
Daar moet je hetzelfde verhaal brengen in een omgeving waar meer mensen omheen staan die denken: is dit nou echt nodig? Waar de weerstand niet altijd frontaal is, maar juist beleefd. De vriendelijke variant van tegenwerking. De bestuurlijke frons. Het keurige uitstel. De subtiele afzwakking. De klassieker: interessant, maar laten we eerst nog even een verkenning uitvoeren, een pilot doen, of..
Dat lijkt me eerlijk gezegd soms nog vermoeiender dan openlijke strijd.
Want juist daar lopen mensen als Arjan rond. Mensen die niet met rookbommen en grote ego’s binnenkomen, maar met iets veel ontregelenders: logica. Ze zeggen dat brondata ertoe doen. Dat standaarden helpen. Dat transparantie niet gevaarlijk is maar noodzakelijk. Dat je doelen objectief toetsbaar moet maken als je ooit beter wilt sturen. En dat digitalisering pas waarde krijgt als het landt in het primaire proces en in de bestuurskamer.
Dat is geen futurisme.
Dat is nuchterheid.
Maar in systemen die zijn ingericht op bestuurbare vaagheid voelt nuchterheid al snel als radicalisme.
Misschien is dat ook waarom ik me zo verwant voel met die groep.
Niet omdat we allemaal dezelfde rol hebben.
Maar omdat we in essentie hetzelfde proberen te doen: iets normaals verdedigen in een omgeving die niet mee kan gaan met de benodigde verandering.
En laat ik eerlijk zijn: Arjan en ik hebben ook nog eens ongeveer dezelfde stijl. Dat helpt natuurlijk totaal niet. Als je én inhoudelijk duwt én qua toon niet per se de zachte route kiest, dan botst het harder. Maar misschien is dat juist waarom ik hem zo interessant vind. Niet als held op een voetstuk, maar als koploper van de vlaggendragers.
Zoals ik in mijn wereld misschien de meest verbale ben onder de mensen die bij ontwikkelaars en gebiedsontwikkelaars op logica, data en toetsbaarheid proberen te duwen, zo is hij voor mij een zichtbare vlaggendrager aan de publieke kant. Niet de enige. Misschien niet eens de slimste. Maar wel iemand aan wie je goed kunt zien wat voor werk dit eigenlijk is: volhouden, herhalen, uitleggen, incasseren, nog een keer uitleggen.
En ondertussen weten dat je niet bezig bent met een speeltje, maar met de basis van fatsoenlijk bestuur.
Fileermoment
We hebben in Nederland niet te weinig visie.
We hebben te weinig waardering voor de mensen die proberen visie om te zetten in uitlegbare werkelijkheid.
Dus nee, deze column gaat niet alleen over Arjan Spruijt.
Hij is gewoon de meest zichtbare van een groep die allang begrijpt wat er moet gebeuren, maar daar in de eigen omgeving nog te vaak voor wordt aangekeken alsof ze onrust veroorzaakt.
Terwijl deze mensen meestal maar één ding doen: zichtbaar maken wat al lang niet logisch is ingericht.
Stel je dus niet alleen voor dat Pim ambtenaar was.
Stel je vooral eens voor hoeveel van die Pimmen er al lang binnen zitten — en hoeveel sneller we zouden zijn als we ze eindelijk serieus namen.
